Dutch · word
alleen
only
/ɑˈleːn/adverb
Meanings
- adverb · A1
Niet meer dan; uitsluitend.
Ik drink 's ochtends alleen koffie.
- adjective · A1
Zonder het gezelschap van andere mensen.
Hij woont al jaren alleen in Amsterdam.
- conjunction · B1
Wordt gebruikt om een uitzondering of bezwaar aan te geven.
Ik wil wel mee, alleen moet ik vanavond werken.
Appears in 2 scenarios
From the same conversation
Start speaking today
Free, no card needed. On the web or in the app.

