LexemicaDutch course

Dutch · word

hebben

have

/ˈɦɛbə(n)/verb

Meanings

  • verb · A1

    Iets bezitten of tot je beschikking hebben.

    Zij hebben een mooi huis in Amsterdam.

  • auxiliary · A1

    Hulpwerkwoord dat samen met een voltooid deelwoord een voltooide tijd vormt.

    Wij hebben gisteren een film gekeken.

  • verb · A1

    Een bepaald gevoel, een ziekte of een toestand ervaren.

    De kinderen hebben erge honger na school.

Appears in 5 scenarios

Start speaking today

Free, no card needed. On the web or in the app.

Get the app