LexemicaDutch course

Dutch · word

in

in

/ɪn/preposition

Meanings

  • preposition · A1

    Geeft aan dat iets of iemand binnen een plaats of ruimte is.

    Mijn paspoort zit in mijn tas.

  • preposition · A1

    Geeft de tijd of periode aan waarin iets gebeurt.

    We gaan in juli op vakantie.

  • preposition · A1

    Wordt gebruikt na bepaalde woorden om een gevoel, eigenschap of vorm aan te geven.

    Zij heeft zin in een warme soep.

Appears in 18 scenarios

Start speaking today

Free, no card needed. On the web or in the app.

Get the app