LexemicaDutch course

Dutch · word

sleutel

key

/ˈsløː.təl/noun

Meanings

  • noun · A1

    Een voorwerp van metaal waarmee je een deur of een slot open en dicht doet.

    Ik ben de sleutel van mijn fiets kwijt.

  • noun · B1

    Iets wat helpt om een probleem op te lossen of een doel te bereiken.

    Geduld is de sleutel tot succes.

  • verb · B2

    Aan iets werken of sleutelen met gereedschap om het te maken of te veranderen.

    In het weekend sleutel ik graag aan mijn oude brommer.

Appears in 3 scenarios

Start speaking today

Free, no card needed. On the web or in the app.

Get the app