LexemicaDutch course

Dutch · word

spreken

speak

/ˈspreːkə(n)/verb

Meanings

  • verb · A1

    Woorden gebruiken om met iemand te praten of iets te zeggen.

    Ik wil graag even met de directeur spreken.

  • verb · A1

    Een bepaalde taal kennen en kunnen gebruiken.

    Zij spreken vloeiend Nederlands en Engels.

  • verb · B1

    Een toespraak of lezing houden voor een publiek.

    De burgemeester zal morgen op de bijeenkomst spreken.

Appears in 1 scenario

Start speaking today

Free, no card needed. On the web or in the app.

Get the app