Dutch · word
één
one
/eːn/number
Meanings
- number · A1
Het getal tussen nul en twee.
Ik heb maar één zus.
- pronoun · A2
Een enkel persoon of voorwerp uit een groep.
Één van mijn vrienden woont in Amsterdam.
Appears in 1 scenario
From the same conversation
Start speaking today
Free, no card needed. On the web or in the app.
