LexemicaDutch course

Dutch · word

kantoor

the office

/kɑnˈtoːr/noun

Meanings

  • noun · A1

    Een kamer of gebouw waar mensen aan bureaus werken.

    Zij werkt vijf dagen per week op kantoor.

  • noun · B1

    Een bedrijf of praktijk van bijvoorbeeld advocaten of accountants.

    Hij begon zijn eigen juridisch kantoor in Amsterdam.

Appears in 1 scenario

Start speaking today

Free, no card needed. On the web or in the app.

Get the app