LexemicaDutch course

Dutch · word

tijd

time

/tɛi̯t/noun

Meanings

  • noun · A1

    De uren, minuten en seconden die voorbijgaan, of de ruimte die je hebt om iets te doen.

    Ik heb vandaag helaas geen tijd om te koken.

  • noun · A2

    Een bepaalde periode in het verleden, heden of de toekomst.

    We hebben een geweldige tijd gehad in Amsterdam.

Appears in 3 scenarios

Start speaking today

Free, no card needed. On the web or in the app.

Get the app