LexemicaDutch course

Dutch · word

familie

family

/faːˈmi.li/noun

Meanings

  • noun · A1

    Een groep mensen die door bloed of een huwelijk bij elkaar horen, zoals ouders, kinderen, ooms en tantes.

    Mijn hele familie komt op bezoek voor mijn verjaardag.

  • noun · B2

    Een groep verwante dieren, planten of talen in de wetenschap.

    De leeuw behoort tot de familie van de katachtigen.

Appears in 1 scenario

Start speaking today

Free, no card needed. On the web or in the app.

Get the app