Dutch · word
haar
hair
/ɦaːr/pronoun
Meanings
- pronoun · A1
Van een vrouw, meisje of vrouwelijk dier.
Zij vergeet haar jas bijna altijd.
- pronoun · A1
Gebruikt voor een vrouw of meisje als voorwerp in de zin.
Ik heb haar gisteren in de supermarkt ontmoet.
- noun · A1
De dunne draden die op het hoofd van mensen groeien.
Zij heeft lang, donker haar.
Appears in 2 scenarios
From the same conversation
Start speaking today
Free, no card needed. On the web or in the app.

