LexemicaDutch course

Dutch · word

week

week

/ʋeːk/noun

Meanings

  • noun · A1

    Een periode van zeven dagen, meestal van maandag tot en met zondag.

    Ik ga volgende week op vakantie.

  • adjective · B1

    Niet hard, maar zacht en gemakkelijk in te drukken.

    De boter is buiten de koelkast helemaal week geworden.

  • verb · B1

    Iets in water of een andere vloeistof leggen om het zacht of schoon te maken.

    Ik week de bonen een hele nacht in koud water.

Appears in 2 scenarios

Start speaking today

Free, no card needed. On the web or in the app.

Get the app