LexemicaDutch course

Dutch · word

zit

is

/zɪt/verb

Meanings

  • verb · A1

    Op een stoel of bank rusten met je lichaam.

    Ik zit op de bank in de woonkamer.

  • verb · A2

    Ergens binnenin zijn of zich op een vaste plek bevinden.

    Er zit geen suiker meer in de pot.

  • auxiliary · B1

    Samen met 'te' en een ander werkwoord gebruikt om aan te geven dat een handeling nu bezig is.

    Hij zit rustig een krant te lezen.

Appears in 2 scenarios

Start speaking today

Free, no card needed. On the web or in the app.

Get the app